© Mark Kohn
Jozua Douglas Gouden Grijns

Hoe schrijf je een kinderboek? (15 tips)

Hoe schrijf je een kinderboek? Ik ben inmiddels 11 jaar kinderboekenschrijver. In die tijd schreef ik 31 boeken die gepubliceerd werden in meer dan tien verschillende talen. In dit blog vertel ik je alles wat je moet weten als je een kinderboek wilt schrijven.

Wil je een prentenboek schrijven? Lees dan ook het blog: Hoe schrijf je een prentenboek?

Dit blog bevat affiliate-links. Dat betekent dat ik een kleine vergoeding krijg als je iets koopt via de links op deze pagina.

Bij mij begon het allemaal met een prentenboek. Na een heleboel mislukte pogingen had ik in 2007 eindelijk een goed prentenboek geschreven: De kusjeskrokodil. Er waren maar liefst twee uitgeverijen geïnteresseerd.

Toen het in 2009 eenmaal in de winkels lag, wilde ik dolgraag ook een langer verhaal schrijven. Maar hoe schrijf je een kinderboek? In dit blog geef ik je 15 praktische tips. Het is een korte samenvatting van wat ik allemaal leerde in de afgelopen jaren. Ik wens je vast veel succes!

Cursus kinderboeken schrijven

Wil je meer weten over kinderboeken schrijven? LOI biedt 8-delige thuiscursus. De cursus besteedt onder meer aandacht aan een zorgvuldig gekozen stijl, bijpassende verteltechniek en de juiste structuur.

Meer info

1. Lees, lees, lees

Ik heb het vak vooral geleerd door veel te lezen. De kinderboeken van Roald Dahl, Annie M.G. Schmidt en Astrid Lindgren spraken mij het meest aan en daarom ben ik hun stijl gaan analyseren. Ik lette op de kleinste details, zoals de opbouw van dialogen en het gebruik van leestekens. Ik bestudeerde de spanningsbogen in een verhaal, de tekening van de karakters en de ontwikkeling van de verschillende verhaallijnen.

Als je goed leest, zul je zien dat je een karakter niet meteen volledig hoeft te beschrijven als je hem introduceert. Je kunt beginnen met een paar opvallende kernmerken en er dan later in het verhaal van alles aan toevoegen. Je zult ook zien dat er in een dialoog verschillende manieren zijn om aan te geven dat iemand aan het woord is. En je ontdekt dat er in kinderboeken maar weinig flashbacks voorkomen.

Maar het allerbelangrijkste is dat je een indruk krijgt van het taalgebruik in een kinderboek. Wees niet bang dat je beïnvloed wordt tijdens dit proces. Iedereen heeft leermeesters, ook Roald Dahl had ze. Hij verwees bijvoorbeeld vaak naar Hemingway en Dickens. Niemand staat los van zijn voorgangers; we staan allemaal op de schouders van wie voor ons kwamen. En uiteindelijk blijf je toch jezelf en zul je vanzelf je eigen stem vinden.

To do: Als je tijdens het schrijven plotseling een vraag hebt over kinderboeken schrijven, schrijf die dan op en let er eens extra op als je weer aan het lezen bent.

Masterclass
Leer van grootheden als Dan Brown, Neil Gaiman, R.L. Stine, James Patterson en Margaret Atwood. Voor een vast bedrag per maand volg je zoveel masterclasses als je maar wilt.

Probeer gratis

 

2. Denk goed na over je idee

Voordat ik aan een boek begin, denk ik eerst een paar maanden na over een mijn idee. In Nederland verschijnen er naar schatting ieder jaar zo’n  2500 kinderboeken. Dat is al gauw een stapel van 50 meter hoog, een flinke kerktoren. Wil je opvallen in die enorme stapel, dan zul je met iets origineels moeten komen.

Een opwindend idee
De boeken van mijn helden waren allemaal gebaseerd op een groot, geweldig, sprankelend en opwindend idee.

  1. Een jongen krijgt een rondleiding door een ongelooflijke chocoladefabriek (Sjakie en de chocoladefabriek).
  2. Een kat verandert in een vrouw die met de hulp van een heleboel katten, een verlegen journalist aan nieuws helpt (Minoes).
  3. Een jongen leert hoe hij heksen kan herkennen en gaat de strijd met hen aan (De heksen).
  4. Een knotsgek meisje woont alleen in een villa en beleeft de meest fantastische avonturen (Pipi Langkous).
  5. Een meisje ontmoet een bijzondere reus die dromen verzamelt (De GVR).

Verplaats je in je lezers
Je schrijft voor kinderen. Verdiep je dus in hun belevingswereld. Roald Dahl zei:

‘If you want to remember what it’s like to live in a child’s world, you’ve got to get down on your hands and knees and live like that for a week. You’ll find you have to look up at all these giants around you who are always telling you what to do and what not to do.’

Kinderen houden van fantastische avonturen. Ze lezen kinderboeken om iets bijzonders te beleven: Hoe zou het zijn als jij een weerwolf was? Wat gebeurt er als je een mummie te logeren krijgt? En hoe zou het zijn om naar een echte tovenaarsschool te gaan?

Een jaar of zes geleden vroeg ik me af hoe het zou zijn als mijn vader president was. Zou ik dan elke dag op het jeugdjournaal komen? Zou ik bij koningen en koninginnen op bezoek gaan? En mocht ik dan af en toe ook eens een wet verzinnen? Dit was het begin van mijn serie over Costa Banana. Ik schreef de boeken die ik zelf als kind had willen lezen.

Wantrouw je eigen ideeën
Als ik iets leuks verzin, ga ik er altijd vanuit dat het vast nog leuker, beter, grappiger, spannender, origineler kan. En het gekke is: dat is meestal ook zo. Daarom leg ik een goed idee altijd even weg en kijk ik of ik niet iets beters kan verzinnen. Inspiratie is namelijk hard werken. En originaliteit dwing je af door jezelf telkens weer uit te dagen. Wees dus niet te snel tevreden.

To do: Wat las je zelf graag als kind? In welke onderwerpen was je geïnteresseerd? Probeer het boek te schrijven dat je zelf als kind graag had willen lezen.

Rory's Story Cubes Kinderboek

Rory’s Story Cubes
Geen inspiratie? Gebruik deze verhaaldobbelstenen om je creativiteit op gang te brengen. Naast de ‘classic cubes’ zijn verschillende varianten: Actions, Fantasia, Heroes, Primal en Voyages. Rol de dobbelstenen en verzin je verhaal.

Bestel ze hier

 

3. Kies de juiste werkwoordstijd

Denk van te voren goed na over de werkwoordstijd waarin je wilt schrijven. De meeste boeken zijn geschreven in de tegenwoordige tijd of de verleden tijd.

De tegenwoordige tijd
In de tegenwoordige tijd (o.t.t.) vertel je vanuit het heden. Je zit dicht op de actie en beleeft de avonturen van je hoofdpersoon heel direct mee. Als lezer krijg je het gevoel dat je erbij bent. De tegenwoordige tijd is ook iets makkelijker voor beginnende lezers. Als ik voor kinderen van 6 tot 9 jaar schrijf, kies ik altijd voor de tegenwoordige tijd.

De verleden tijd
In de verleden tijd (o.v.t.) vertel je een verhaal dat in het verleden is gebeurt. Als schrijver kijk je terug met je lezer. Het is een meer traditionele verteltijd die voor mij daardoor soms wat natuurlijker aanvoelt. Bij de tegenwoordige tijd heb ik soms het idee dat ik de regie-aanwijzingen uit een filmscript zit te lezen. Ik vind de verleden tijd dus mooier en echter klinken, maar dit is vooral een kwestie van smaak, denk ik.

Wees consequent
Welke tijd je ook kiest, houd je eraan. Wissel niet voortdurend tussen o.t.t. en o.v.t., dat is verwarrend voor je lezers en het staat bovendien erg slordig. Als je het moeilijk vindt om te kiezen, herschrijf dan het eerste hoofdstuk eens naar een andere tijd. Kijk wat er gebeurt.

Hoewel je je over het algemeen strikt aan je gekozen tijd moet houden, zijn er een paar uitzonderingen.

Flashback
Soms kun je bij een flashback even overschakelen naar een andere tijd. Maar ik zeg er meteen bij dat ik zelden flashbacks gebruik in een kinderboek. Het zijn in elk geval nooit hele hoofdstukken. Eerder een paar alinea’s. Flashbacks zijn meestal bedoeld om je inzicht te geven in het verleden van een karakter en kinderen hebben nog bijna geen verleden. Als je een flashback wilt schrijven, vraag je dan altijd af of je het niet kunt oplossen met een andere hoofdstukindeling.

Hieronder zie je een voorbeeld van een flashback uit De verschrikkelijke badmeester.

Lev zuchtte. Een week zat hij nu al op zwemtraining.
Het was zijn vaders idee geweest. Meneer De Bruin had zijn zoon meegenomen naar de legendarische zwemschool van Boris Kwikzilver. Lev moest een paar baantjes proefzwemmen. Het ging voor geen meter. Hij kon er werkelijk geen spat van. Maar toch was Kwikzilver razend enthousiast.

De flashback begint bij de tweede regel. Hier stap ik over naar de voltooid verleden tijd, om aan te geven dat dit al eerder is gebeurd. Bij de vierde zin schakel ik alweer terug naar de verleden tijd, terwijl de flashback nog niet voorbij is. Ik doe dat omwille van de leesbaarheid. Als ik helemaal correct had willen zijn, had ik dit fragment zo geschreven:

Lev zuchtte. Een week zat hij nu al op zwemtraining.
Het was zijn vaders idee geweest. Meneer De Bruin had zijn zoon meegenomen naar de legendarische zwemschool van Boris Kwikzilver. Lev had een paar baantjes moeten proefzwemmen. Het was voor geen meter gegaan. Hij had er werkelijk geen spat van gekund  Maar toch was Kwikzilver razend enthousiast geweest.

Dit is natuurlijk onleesbaar. Was gegaan… had gekund… was geweest. Dat is verschrikkelijk proza. Daarom ga ik, zodra je als lezer weet dat je in een flashback zit, gauw terug naar de verleden tijd. Maar nogmaals: probeer flashbacks te vermijden.

Sprong vooruit
Soms is het noodzakelijk om een sprong in de tijd te maken. Je slaat een saai, onbelangrijk stuk van je verhaal over en geeft een korte samenvatting van wat er in de tussentijd allemaal is gebeurd. Schrijf je in de verleden tijd dan gebruik je ook hier weer de voltooid verleden tijd. Dit voorbeeld komt uit Operatie Pisang.

Julia had de hele avond samen met meester Manuel aan tafel zitten puzzelen. Ze hadden allerlei sleutelwoorden uitgeprobeerd, maar niets werkte.

To do: Lees een kinderboek en let daarbij voortdurend op de tijd. Verandert de schrijver ergens van tijd? Hoe vaak gebeurt dat? En wat is de reden?

4. Schrijf kort en bondig

In 1980 schreef de 17-jarige student Jay Williams, Roald Dahl een brief waarin hij hem om schrijfadvies vroeg. Het antwoord van Dahl was kort maar krachtig:

I have read your story. I don’t think it’s bad, but you must stop using too many adjectives. Study Hemingway, particularly his early work and learn how to write short sentences and how to eschew all those beastly adjectives. Surely it is better to say “She was a tall girl with a bosom” than “She was a tall girl with a shapely, prominent bosom”, or some such rubbish. The first one says it all.

Vermijd bijvoeglijke naamwoorden
Dahl heeft het hier over bijvoeglijke naamwoorden. Woorden waarmee je iets anders in de zin specificeert. ‘Ze was een lang meisje met een welgevormde, prominente boezem.’ Merk op dat Dahl zelf wel degelijk bijvoeglijke naamwoorden gebruikte. Je mag ze dus best gebruiken, maar wees wel kritisch en schrap er zonodig een paar.

Ook uit dit advies blijkt maar weer dat je het meest leert van de boeken van anderen. Lees en bestudeer dus je helden als je je stijl wilt verbeteren. Een paar algemene tips:

1. Schrijf actief

Niet: ‘Lev werd met zijn hoofd onderwater geduwd.’

Maar: ‘De badmeester duwde Lev met zijn hoofd onderwater.’

Niet: ‘Het sluiten van het zwembad gebeurt door de badmeester.’

Maar: ‘De badmeester sluit het zwembad.’

2. Houd je zinnen kort

Zet eens wat vaker een punt in plaats van een komma. Maar overdrijf niet. Wissel korte en langere zinnen af. Alleen maar korte zinnen geeft je proza een lelijk staccato.

3. Gebruik alledaagse woorden

Gebruik woorden die kinderen zelf ook zouden gebruiken. Is er een woord dat ze misschien niet kennen, zorg dan dat de betekenis uit de context duidelijk wordt. Je kunt een personage ook iets laten uitleggen of er een grapje van maken.

De dokter stond op. ‘Dat is helemaal niet mooi! Dat is veel te veel! Zoveel kilo is levensgevaarlijk. Heeft u wel eens nagedacht over de gevaren? Cholesterol?’
‘Gore snol?’ herhaalde tante Jet verontwaardigd.
‘Cholesterol! Nou?’
‘Wat is een gore snol?’ vroeg ik, omdat tante Jet beledigd haar lippen op elkaar hield.
‘Cholesterol! Dat zijn vette klodders in je bloed. Die lijken op klodders mayonaise en stromen overal naartoe. En als ze in je hart terechtkomen, ga je dood.’

Tosca Menten — Een gruwelijk dieet, uit Gruwelijk grappige griezelverhalen

4. Wees concreet

Het bovenstaande voorbeeld laat ook heel mooi zien hoe je concreet schrijft. De dokter heeft het niet over een hartaanval, maar over klodders vet die in je hart terechtkomen, waarna je dood gaat. Dat is beeldend. Je ziet het meteen voor je.

5. Gebruik niet te veel vergelijkingen

Vergelijkingen kunnen enorm afleiden. Wees spaarzaam en gebruik ze alleen als ze origineel of grappig zijn of echt iets verduidelijken.

Schrijven met effect hoe schrijf je een kinderboek

Tijdens mijn studie Communicatie leerde ik bondig formuleren. Een boek waar ik veel aan heb gehad is Schrijven met effect van Mariet Hermans. Het is eigenlijk bedoeld voor zakelijke teksten, maar ik heb er voor mijn kinderboeken ook veel aan gehad.

Bestel het boek

5. Zorg voor een conflict

Een verhaal kan niet zonder een conflict. Een conflict is er vanaf het eerste moment en het zet je verhaal in beweging. Een conflict hoeft niet per se een ruzie te zijn. Het kan ook een tegenslag zijn, een dreiging, een onvervuld verlangen of een angst om iets te ondernemen. Vaak zijn er meerdere conflicten in een verhaal.

Een paar voorbeelden:

  1. Matilda is extreem intelligent, maar haar ouders en het hoofd van de school hebben daar geen oog voor.
  2. Sophie wordt ontvoerd door een reus, die haar moet beschermen tegen negen mensenetende reuzen. Daarnaast moeten ze de koningin ervan overtuigen dat reuzen bestaan en een gevaar vormen voor het land.
  3. Tibbe is journalist, maar hij is te verlegen om zelf aan nieuws te komen. Als hij niet met iets interessants komt, wordt hij ontslagen. Tibbe en Minoes ontdekken dat meneer Ellemeet, een voorbeeldig burger en voorzitter van de Vereniging voor Dierenvrienden, helemaal niet zo aardig is, maar niemand gelooft hen. Tibbe moet nu kiezen tussen zijn baas die vindt dat hij roddels verspreidt en Minoes die wil dat hij voor de katten opkomt.

To do: Als je weer eens een kinderboek leest, schrijf dan eens voor jezelf op welke conflicten je allemaal tegenkomt en waar in het verhaal ze opduiken.

6. Werk het begin zorgvuldig uit

In een goed begin zit het hele verhaal verborgen. Het is als een klein kiempje, waarin de toekomstige plant al aanwezig is. Het begin bevat dus belangrijke aanknopingspunten voor het eind van je kinderboek.

Daarom werk ik de eerste hoofdstukken van mijn kinderboek heel zorgvuldig uit. Soms leidt een klein onbenullig detail tot een compleet nieuwe verhaallijn. Meestal kies ik drie van die verhaallijnen die ik verder uitwerk en samenvlecht tot een compleet verhaal.

Voorbeeld: De verschrikkelijke badmeester
De verschrikkelijke badmeester gaat over een ontzettend saaie man die graag wil dat zijn zoon Lev beroemd wordt. En daarom moet Lev op zwemtraining bij een verschrikkelijke badmeester. Hij vindt het vreselijk en heeft bovendien geen spatje talent. Dit is de hoofdlijn van het verhaal.

Tijdens het schrijven van de eerste hoofdstukken, bedacht ik een grappig detail: de vader van Lev spaart zelf miniatuurautootjes waarmee hij een wereldrecord probeert te behalen. Dit detail werkte ik uit tot een tweede verhaallijn. Ik wist nu ook meteen waar het boek moest eindigen: op een grote tentoonstelling voor miniatuurautootjes. Op die tentoonstelling zou dan ook De verschrikkelijke badmeester aanwezig zijn, de derde verhaallijn.

To do: Een goed boek is een zorgvuldig vlechtwerk van verhaallijnen. Lees een boek van je favoriete kinderboekenschrijver en noteer welke verhaallijnen je ontdekt.

7. Breng structuur in je verhaal

Heb je de films van Disney wel eens geanalyseerd? Of de Star Wars verhalen van George Lukas? Ze zijn allemaal geïnspireerd op de ideeën van Joseph Campbell. In zijn boek De held met de duizend gezichten vergeleek hij een heleboel oeroude mythes uit verschillende tijdperken en culturen. En wat bleek: ze hadden allemaal een zelfde soort structuur.

Oerstructuur
Deze oerstrucuur komt overeen met de psychologische ontwikkelingen die we allemaal doormaken. We zijn helden die af en toe een nieuwe wereld betreden. We twijfelen, zoeken bondgenoten, strijden met vijanden, worden beproefd, moeten offers brengen en hopen terug te keren met een beloning.

12 stappen
In zijn boek The Writers Journey werkt Christopher Vogler de inzichten van Campbell verder uit. Vogler verdeelt de oerstructuur in 12 verhaalstappen. Ik kan je ook dit boek van harte aanbevelen. Lees je liever in het Nederlands, probeer dan Storytelling in 12 stappen van Mieke Bouma. Deze boeken waren voor mij echte eye-openers.

To do: Lees mijn blogs Storytelling in 12 stappen. Pixars Ratatouille, een analyse. Bekijk daarna een film van Disney of Pixar en probeer te ontdekken welke stappen je tegenkomt.

8. Denk goed na over de plot

De plot is het geraamte van je boek. Een beschrijving van een plot noem je ook wel een synopsis, de samenvatting van alle gebeurtenissen in je verhaal. Meestal beschrijf je een synopsis in enkele A4-tjes.

Twee soorten schrijvers
Er zijn grofweg twee type schrijvers:

  1. De plotschrijvers, die voor ze aan een boek beginnen eerst de hele plot uitdenken en op papier zetten. Zij beginnen dus met een synopsis.
  2. De meer intuïtieve schrijvers, die het verhaal tijdens het schrijven ontdekken. Ze hebben geen idee waar het naartoe gaat, maar laten zich verrassen, zoals een lezer zich laat verrassen.

Plotkaartjes
Zelf zit ik daar een beetje tussenin. Ik schrijf de eerste hoofdstukken puur op intuïtie. Daarna ga ik ‘plotten’. Met de verhaallijntjes die ik uit de eerste hoofdstukken haalde (tip 6) en de 12 verhaalstappen (tip 7) in mijn hoofd begin ik puntsgewijs scenes toe te voegen. Deze scenes schrijf ik op plotkaartjes waarmee ik kan schuiven, als dat nodig is.

Het lukt mij nooit om van te voren een een compleet plot uit te denken. Meestal denk ik een paar hoofdstukken vooruit en begin dan weer te schrijven. Tijdens dat schrijven ontdek ik of mijn plot-ideeën werken. Werken ze niet, dan pas ik mijn plot aan.

To do: Schrijf je op dit moment een kinderboek? Schrijf de scenes die je al af hebt met steekwoorden op losse post-its (gebruik kleurtjes voor verschillende verhaallijnen) of systeemkaarten en leg ze op volgorde op de grond. Kijk wat er gebeurt als je scenes van plaats verwisselt.

9. Schrijf eerst de dialoog

Als ik een deel van mijn plot heb bedacht (tip 8), begin ik deze uit te werken. Ik schrijf in eerste instantie alleen de dialoog op, de gesprekken tussen de karakters. Door de karakters met elkaar te laten praten, ontdek ik of ze dat wat ik heb verzonnen, zelf ook echt willen.

Karakters hebben namelijk een eigen wil. Je kunt ze niet zomaar laten doen wat jij als schrijver hebt bedacht. Hun acties moeten passen bij hun motieven en doelen. In een dialoog wordt heel snel duidelijk of iemand geloofwaardig is of niet. Ik kom hier later nog op terug (tip 11).

Zo’n dialoog kan er zo uitzien:

Lev (boos): Zwemmen is saai. Ik ga liever naar Wonderwaterland.
Meneer De Bruin (boos): Je bent een ondankbaar kind. Je zit notabene in de K-selectie DE KAMPIOENENSELECTIE! En dan nog ben je niet blij. Weet je wat het probleem is met jou? Je bent gewoon een luie lapzwans. Je hebt een groot talent, maar je doet er helemaal niets mee! Wil je soms net zo worden als Bram Kwikzilver?

Ik schrijf hele hoofdstukken op deze manier. Als blijkt dat ik op de goede weg ben, werk ik de scenes volledig uit:

‘Zwemmen is saai,’ riep Lev boos. ‘Ik ga liever naar Wonderwaterland.’
Meneer De Bruin keek hem woest aan. Zijn wangen gloeiden op. Zijn lippen persten zich samen en zijn neusgaten werden groter. ‘Je bent een ondankbaar kind,’ riep hij. ‘Je zit nota bene in de k-selectie. DE KAMPIOENENSELECTIE! En dan nog ben je niet blij. Weet je wat het probleem is met jou? Je bent gewoon een luie lapzwans. Je hebt een groot talent, maar je doet er helemaal niets mee!
Meneer De Bruin kneep in het stuur. Zijn knokkels waren wit.
‘Wil je soms net zo worden als die Bram Kwikzilver?’ snoof hij.

Je begrijpt wel dat zo’n uitgewerkte scene veel meer tijd kost, zeker als je een heel hoofdstuk schrijft met nog veel meer beschrijvende passages. Daarom schrijf ik eerst een ruw script. Je zou dit kunnen zien als het werkende prototype van mijn verhaal. Je kunt zien of je scenes werken, zonder dat je ze tot in de kleinste details hoeft uit te werken. Zo voorkom ik dat ik later een heleboel zorgvuldig uitgewerkte scenes moet weggooien.

NB: Dit is mijn manier van werken. Schrijf je je scenes het liefst meteen helemaal uit, dan moet je dat vooral blijven doen. Iedereen is anders, doe dus vooral wat voor jou het beste werkt.

10. Voorkom ruis

Een verhaal moet zich ontwikkelen. Er moet voortgang zijn en in een kinderboek het liefst ook een beetje vaart. Iedere scene moet je een stapje dichter bij het eind brengen, liefst zonder al te veel ruis. Een verhaal kan zich volgens mij op twee manieren ontwikkelen: via de plot en via de karakters.

Plotgedreven versus karaktergedreven
Sommige boeken ontwikkelen zich vooral via de plot. Dit noemen we plotgedreven boeken. Detectives en misdaadromans zijn hier goede voorbeelden van. Er is bij deze boeken meer aandacht voor de gebeurtenissen dan voor de karakters. In een detective gaat het bijvoorbeeld vooral om dader die gepakt moet worden. Hoe de detective zich voelt is van minder belang. Vaak leert hij ook niet echt iets. Hij doet zijn werk, meer niet.

De meer literaire boeken ontwikkelen zich vooral via de karakters. Dit zijn karaktergedreven boeken. Sommige hebben zelfs niet eens een plot. Er gebeurt helemaal niets! Toch kan ook een karaktergedreven boek heel spannend zijn. Je leert de personages goed kennen. Wat heeft hen gevormd? Hoe gaan ze om met andere karakters? Leren ze iets, of juist niet? De personages zijn vaak gelaagd en levensecht.

Een goede mix
De meeste schrijvers zoeken een mix tussen plotontwikkeling en karakterontwikkeling. Dat doe ik zelf ook, al ligt de nadruk bij mij altijd bij de plot. Wat voor boek jij schrijft is helemaal aan jou. Ben je vooral geïnteresseerd in de emoties van mensen? Of vertel je liever een spannend avonturenverhaal? Ik denk wel dat het voor een kinderboek belangrijk is dat er iets van een plot is.

De perfecte scene
Een goede scene ontwikkelt je verhaal, brengt de lezer een stapje verder. Ik stel mezelf bij iedere scene daarom twee vragen:

  1. Is de gebeurtenis hier noodzakelijk voor de ontwikkeling van mijn plot?
  2. Leer ik de karakters door deze scene beter kennen?

Als het antwoord op een van deze vragen ‘ja’ is, is het een goede scene. Hij is noodzakelijk in het verhaal en dus onmisbaar. Is het antwoord op beide vragen ‘ja’, dan is hij perfect. Je slaat twee vliegen in een klap. Zo’n scene geeft extra vaart aan je verhaal.

To do: Twijfel je of je verhaal genoeg vaart heeft? Kijk eens of je bepaalde scenes kunt samenvoegen. Een gesprek tussen twee karakters kan soms ook plaatsvinden terwijl ze een belangrijke handeling verrichten. Kijk ook eens kritisch naar je personages. Zijn het er niet teveel? Zou je misschien enkele karakters kunnen samenvoegen?

11. Karakters hebben een eigen wil

Jij bent misschien de god in jouw verhaalwereld, maar jouw karakters hebben een vrije wil. Het zijn geen schaakstukken. Je kunt niet zomaar alles met ze doen. Wil je als schrijver toch enige invloed op je verhaal hebben, dan zul je moeten ingrijpen in de omstandigheden.

De ontdekking van de hemel
De engelen in De ontdekking van de hemel gaan ook zo te werk. Ze hebben een heel speciaal iemand nodig voor hun opdracht en om die geboren te laten worden moeten ze twee ouders bij elkaar brengen die anders nooit bij elkaar waren gekomen. Hiervoor zijn enige kunstgrepen nodig. Soms volstaat een omgewaaide boom of een meteoriet-inslag, maar in dit geval was er meer nodig: De Eerste- en de Tweede-Wereldoorlog wel te verstaan.

Het probleem met mensen is dat we ze wel kunnen dringen, maar niet dwingen. Het kost ons weinig moeite om bij voorbeeld iemand op te laten staan en even door zijn kamer te laten ijsberen, of om hem te laten uitglijden zodat hij zijn nek breekt; maar om iemand iets te laten doen dat tegen zijn gevoelens ingaat, is minder eenvoudig. Mensen zijn geen marionetten, ze hebben ook hun eigen wil; eer je het weet, zijn ze je ontglipt.

 — Harry Mulisch, De ontdekking van de hemel.

Home alone
Een mooi voorbeeld van dit procedé zien we in de film Home Alone. Een moeder gaat op vakantie en vergeet haar kind. Als je dit zomaar laat gebeuren, heb je een ongeloofwaardig verhaal. De schrijvers van het script moesten dus ingrijpen in de situatie.

  1. Het gezin gaat op vakantie met familie. De familie komt de avond voor vertrek al aan en logeert bij het gezin, waardoor het een chaos is in huis.
  2. De zoon in kwestie krijgt straf en moet op zolder slapen. (Dit is trouwens tegelijk een goed voorbeeld van efficiënte karakterontwikkeling).
  3. Het gaat stormen, er valt een boom op de elektriciteitsleiding, de stroom valt uit, de wekker stopt ermee en de familie verslaapt zich.
  4. In de totale paniek die nu volgt vergeet de moeder haar kind, die nog op zolder ligt te slapen.
  5. Een headcount, waarbij een buurjongetje per ongeluk meegeteld wordt maakt het compleet.

En zo wordt een ongeloofwaardig verhaal toch geloofwaardig. Het mooiste is het als je de storm al van te voren aankondigt. Als het de avond ervoor al waait, is het helemaal niet gek dat het even later gaat stormen waardoor er bomen omvallen.

To do: Kan je meer voorbeelden verzinnen van ongeloofwaardige verhalen waarbij de omstandigheden mensen dwingen om gekke dingen te doen?

12. Pas op met toeval

In juli 1975 stierf Erskine Lawrence Ebbin toen hij op zijn brommer werd aangereden door een taxi. Een jaar eerder was zijn broer op hetzelfde kruispunt verongelukt tijdens een rit op dezelfde brommer. Hij werd aangereden door dezelfde taxi, die bestuurd werd door dezelfde chauffeur die dezelfde passagier vervoerde.

Dit soort toevalligheden gebeuren. Maar als je zoiets in een boek opschrijft, is het volstrekt ongeloofwaardig. Gebruik dus geen toeval in je verhaal. Alhoewel? Dit is wat Emma Coats, storyboard Artist bij Pixar hierover zegt:

Coincidences to get characters into trouble are great; coincidences to get them out of it are cheating.

Kondig gebeurtenissen altijd aan
Je kunt toeval minder ‘toevallig’ maken door het aan te kondigen. Je moet dan terug in je verhaal om iets dergelijks al eerder te laten gebeuren, want wat vaker gebeurt is niet langer toevallig.

In Het piranha-complot (Costa Banana 6) zit een ontvoering met een luchtballon. Zoiets werkt alleen als het bewolkt is en niemand vanaf de grond kan zien waar de ballon naartoe gaat. Ik had dus wolken nodig, terwijl het in die regio vaak zonnig is. Om dit geloofwaardig te maken laat ik het de dag ervoor al regenen en gedurende de ochtend laat ik iemand naar de wolken kijken. Als er dan op het moment suprême wolken zijn, is dat volkomen logisch.

Uitzonderingen
Er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen. Je kunt toeval ook geloofwaardig maken door het expliciet te benoemen en er een verklaring voor te geven. Astrid Lindgren doet dat in haar boek De gebroeders leeuwenhart. Karel en Jonatan zoeken de ingang van Katla’s grot. Op een gegeven moment vindt Jonatan die ‘toevallig’.

Misschien was dit alles al in de oertijd van de sprookjes zo besloten. Misschien was er toen al besloten dat Jonatan de redder van Orvar en het Bramendal zou worden. En misschien werden onze stappen wel door onzichtbare sprookjeswezens in een bepaalde richting gedreven. Hoe zou Jonathan anders net op de plek waar we onze paarden neergezet hadden, een ingang naar Katla’s grot gevonden kunnen hebben? Dat was net zoiets wonderbaarlijks als toen ik van alle huizen in het Bramendal net in dat van Mattias terechtkwam.

Stephen King schrijft in 11.22.63:

Het toeval bestaat, maar ik was tot de overtuiging gekomen dat het tegelijk zeldzaam was. Er is iets aan het werk. Ergens in het universum (of daarachter) tikt een grote machine en draaien de gigantische raderen. Nu en dan valt er een joker uit het spel, maar meestal gaan de dingen zoals de bedoeling is.

Het spreekt voor zich dat je dit soort kunstgrepen niet te pas en te onpas kunt gebruiken. Zoiets moet passen bij het verhaal. Normaal gesproken is toeval in een boek niet geloofwaardig.

To do: Heb je wel eens een kinderboek gelezen waarin iets gebeurde dat voor jouw gevoel te toevallig was? Hoe zou je die toevalligheid in dat verhaal minder toevallig kunnen maken?

13. Houd het overzicht

Het is niet altijd makkelijk om het overzicht te houden als je met zo’n groot project bezig bent. Een kinderboek heeft tussen de 20.000 en 55.000 woorden nodig en dat zijn een heleboel A4’tjes. Voor je het weet zit je eindeloos heen en weer te scrollen tussen de verschillende hoofdstukken.

Scrivener
Ik was dan ook erg opgetogen toen ik Scrivener ontdekte. Met Scrivener deel je een lange tekst op in kleine overzichtelijke stukjes. Ieder hoofdstuk is eigenlijk een apart documentje dat makkelijk terug kunt vinden via een navigatiebalk.

Hoe schrijf je een kinderboek Scrivener editor

In de middelste editor schrijf je de tekst, rechtsboven is ruimte voor een korte samenvatting en daaronder kun je je notities kwijt. Via de navigatiebalk spring je snel naar de andere hoofdstukken en je kunt ook makkelijk dossiers aanleggen van je karakters, de locaties in je boek en de research die je hebt gedaan.

Je boek in één oogopslag
Wil je snel een overzicht van het grote geheel, dan tover je eenvoudig de systeemkaarten te voorschijn. Op deze kaarten staan de samenvattingen van al je hoofdstukken. Je ziet nu je boek in één oogopslag.

Hoe schrijf je een kinderboek Schrivener synopsis

Als je wilt kun je nu je synopsis in een keer uitprinten. Ook pas je de structuur van je kinderboek makkelijk aan door de kaarten te verschuiven. Uiteraard verschuift de tekst die bij die hoofdstukken hoort mee. Je kunt je hoofdstukken ook een eigen label meegeven. Zo hou je overzicht over de verschillende verhaallijnen.

Hoe schrijf je een kinderboek Scrivener verhaallijnen

Sinds kort heb ik Scrivener ook op mijn iPhone. Via Dropbox synchroniseer ik de bestanden tussen mijn Macbook en mijn telefoon. Als ik tijdens een wandeling een goed idee krijg, kan ik die heel makkelijk aan het manuscript toevoegen, zodat ik, eenmaal thuis snel verder kan.

Scrivener kinderboek schrijven

Met Scrivener schreef ik inmiddels vier kinderboeken. Wil je dit programma ook eens proberen? Download dan een gratis proefversie voor je Mac of Pc.

Probeer Scrivener

14. Zoek een goede uitgever

Toen ik een keer bij mijn uitgever op kantoor kwam, wees hij mij op een enorme stapel post van bijna een halve meter.
‘Dat zijn allemaal manuscripten,’ zei hij. ‘Ik krijg iedere maand zo’n stapel en ik lees ze allemaal.’
‘Zit er vaak iets tussen?’ vroeg ik.
‘Een keer per jaar,’ antwoordde hij, ‘en soms zelfs dat niet.’

Dat klinkt best ontmoedigend, of niet? Nou, ik weet er alles van. Jarenlang stuurde ik vruchteloos manuscripten naar de meest uiteenlopende uitgeverijen. Een reactie kreeg ik meestal pas maanden later. De brieven stapelden zich op met telkens dezelfde boodschap. ‘We hebben uw manuscript gelezen… bla-bla-bla… maar het past helaas niet in ons fonds… bla-bla-bla.’

Boos
Natuurlijk was ik boos. Die uitgevers begrepen er werkelijk niets van. Mijn geweldige verhaal werd afgewezen en dat ook nog eens zonder reden. Toch is het nooit in me opgekomen om in eigen beheer uit te geven. Ik wilde per se een reguliere uitgever. Ik wilde dat een totaal onbekende zijn nek voor mij zou uitsteken. Dat er iemand, anders dan ikzelf, mijn familie of vrienden zou zeggen: ‘Dit is echt goed, hier durf ik mijn geld op in te zetten.’

Daarom besloot ik mij over mijn boosheid heen te zetten en uit te zoeken waarom mijn werk niet goed genoeg was. Ik haalde stapels boeken uit de bibliotheek van de uitgevers die me hadden afgewezen en legde ze kritisch naast mijn eigen werk. Waarom deze boeken wel? vroeg ik mij af. Wat doen deze auteurs anders?

Al gauw moest ik inzien dat mijn eigen werk niet zo goed was als ik had gedacht en achteraf ben ik ontzettend blij dat dit vroege werk nooit in druk is verschenen. Ik heb me wel eens afgevraagd wat er zou zijn gebeurd als ik mijn eerste manuscripten in eigen beheer had uitgegeven. Had ik dan geleerd wat ik nu heb geleerd? Had ik dan hetzelfde succes kunnen hebben?

Vertrouw niet op vrienden en familie
Ik merk dat veel afgewezen schrijvers boos blijven. Ze beroepen zich op het oordeel van hun vrouw, hun zoon of dochter, hun vader of moeder of een paar buurkinderen die ze het manuscript hebben laten lezen. ‘Mijn kinderen vonden het geweldig,’ zeggen ze dan. ‘Ik las het voor in de klas van mijn dochter en alle kinderen waren enthousiast.’

Maar daarmee gaan ze voorbij aan een belangrijk principe: Vrienden, buren en familie zijn nooit volledig objectief. Mensen uit je eigen omgeving kunnen je werk niet beoordelen. Ze leven met je en ze willen dat graag op een prettige manier blijven doen. Zou jij je buurman vertellen dat je zijn nieuwe kinderboek compleet ruk vindt?

Daarnaast moet je je realiseren dat de mensen uit je eigen kring jou kennen en dat ze wellicht dingen uit je werk zullen herkennen. Je ouders herkennen gebeurtenissen uit je jeugd. Je kinderen herkennen jou of zichzelf in sommige personages. Deze herkenning maakt een boek extra leuk. Maar dat betekent nog niet dat het ook geschikt is voor een breed publiek.

Handboek voor schrijvers Hoe schrijf je een kinderboek
Tijdens mijn zoektocht naar een uitgever heb ik veel gehad aan het Handboek voor schrijvers. Je leert hierin alles over de uitgeefwereld. Handboek voor schrijvers is momenteel alleen als e-book verkrijgbaar. Je leest het gratis met Kobo Plus.

Probeer Kobo Plus

15. Geef niet op

Het heeft mij jaren gekost om een uitgever te vinden en toen ik die eenmaal had nog eens jaren om een groot lezerspubliek te bereiken. Geef dus niet op. Blijf schrijven en lees veel. Wees altijd kritisch op jezelf en blijf je altijd afvragen wat jij kunt doen om beter te worden.

Vind je het moeilijk om jezelf het vak aan te leren, volg dan een cursus of schakel een schrijfcoach in. En heb je naar aanleiding van dit verhaal nog vragen? Stel ze via de comments, hieronder, dan hebben anderen er misschien ook nog wat aan.

Meer weten over kinderboeken schrijven? Lees mijn blog over schrijfboeken.
Dit blog bevat affiliate-links.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *